Er liep een verdwaalde badmeester op een feestje. Ik begreep niet wat hij hier kwam doen. Moet je niet zwemmen?, vroeg ik. Ik verdrink liever, zei hij. De muziek werd langzaam zachter. Wat moet je daar nu mee? Er was geen ontkomen aan, ik kon me niet meer verschuilen achter onverstaanbaarheid. Voor ik het in de gaten had moest ik antwoorden, en bekennen dat ik het niet wist. Erg was het eigenlijk niet, hoogstens vervelend. Toch trok ik wit weg. Een onwaarschijnlijke schaamte, die ik nog nooit had gevoeld, trok van mijn voeten op, maakte mijn benen aan het wankelen. Hij zag het, denk ik. Ik vroeg het hem niet. Het was mijn vader.
onverstaanbaarheden weten
zo zacht en vetgedrukt
ze verschuilen achter de muziek
onwaarschijnlijk en vervelend
als witte badmeesters